Weleens in een TATA bus gezeten met een Aziatische chauffeur? Beide elementen zorgen namelijk altijd voor een avontuur. Wellicht vraag je je af waarom.

Wel hierom: De meeste bussen in Sri Lanka zijn gemaakt door het Indiaas merk, TATA. Niets mis mee, zou je zeggen. Klopt. Echter zijn de meeste bussen hier gepensioneerd. De bussen zijn dusdanig oud en grijs, dat de uitlaatstoffen een spoor van roet op je hoofd achterlaten. Ook is de remafstand heel wat langer dan in Nederland en is de zekerheid op een rem die remt, hmm, niet altijd zo zeker. Om maar niet te beginnen over het geluid van de versnellingsbak.

Afijn. Zet daar dus een Aziatische buschauffeur in en je hebt je portie adrenaline wel gehad. De chauffeurs zijn te vergelijken met honden die hun eigen territorium willen verdedigen. De weg is hun weg. De bus is hun bus. Voorrang verlenen? Nee, enkel voorrang nemen. Haantjes zijn het. Wacht, ik wil niet veralgemenen. Maar de meeste chauffeurs kunnen behoorlijk kraaien. Geen TATA maar een TOETOET.

Ik moet zeggen dat ze de infrastructuur ook niet echt mee hebben. De soms onveilige wegen zijn ook lastig te trotseren. En wat betreft het ingrijpen door overheidsinstanties, zoals de politie? Die pakken liever de toeristen op scooters aan, die net iets te hard een tuk tuk inhalen. Nee, de snelheidslimiet voor de buschauffeurs is ongelimiteerd.

Onze enkele reis van Sigiriya naar Jaffna was een nieuw soort busrit-ervaring. Dromerig staarde ik voor mij uit, totdat ik opschrikte door een donkere walm in de verte. De buschauffeur verminderde zijn vaart. De weg was versperd. Het zag eruit als dichte mist, maar dan met een donker grijze kleur. De walm bestond echter niet uit waterdruppels, maar uit asstukjes.

Bij de rook aangekomen schakelde de chauffeur weer een versnelling hoger en gaf gas. “Gaat hij er nu serieus doorheen rijden? Zonder te weten wanneer het stopt?” Een dichte mist van rook in; geen uitzicht. Mensen raakten in paniek en duwden de ramen van de bus dicht. De deuren van de bus bleven openstaan. Een dichte mist van rook baande zich een weg naar binnen. Mensen riepen, ik hoorde de angst. Hun ogen stonden groot. Die reactie gezien te hebben, trok ons hart een sprintje. Ik voelde asstukjes op mijn armen. Mensen hoestten, wij ook. Mijn ogen werden vochtig en zochten naar zuurstof. Na een halve minuut, en dat is lang als je angstig bent, reden we er weer uit. Ramen duwden we sneller dan ooit te voren weer open. Ik slingerde mijn hoofd er uit en inhaleerde de verse buitenlucht.

Was het een bosbrand? Verbranding van afval? Tot nu toe weten we het niet.

Wel weet ik dat geen één busrit hier hetzelfde zal zijn. Geen één dag hetzelfde. Je weet nooit wat de dag je brengen zal. Zelfs niet als je in je bed blijft, dan weet je niet welk tropisch huisdier je zal verrassen. Het onbekende. Ook als het zijn gevaren kent. Ik hou ervan. Het geeft mij het gevoel van leven. Ps: Al ben ik altijd weer blij en dankbaar dat ik mijn voeten na een busrit weer op de grond buiten neerzet. En dan zeg ik altijd netjes “Thank you!” tegen de buschauffeur. Want al mag hij dan vurig zijn TATA strijdlustig verdedigen, hij brengt me toch altijd weer veilig op de plaats van bestemming.