Colombo treinstation. In de verte zie ik de trein aankomen. Mensen stormen naar de rand van het perron. Sommige springen op de rails. Op die manier kunnen ze via de andere kant de trein bereiken. Mensenmassa’s staan klaar. Klaar om een plekje te bemachtigen. De trein piept, stopt en slaat zijn deuren open. Daar sta ik dan, tussen honderden mensen. Duwend en trekkend gaan ze de kleine treinopening in. Ik word gedwongen om egocentrisch mijn bepakking, van zowel een rugzak aan de voorzijde als mijn backpack aan de achterzijde, in de strijd te gooien om zo mezelf heelhuids de trein in te krijgen.

Welgeteld 5 centimeter van mijn billen raakt de bank. Of de man die naast me zit. Ik weet het niet. We zitten een uur in de trein, een niet rijdende trein. Iedereen zit en staat op en in elkaar. Het zweet druipt van mijn gezicht af. Ik hou Niels zijn broek vast, anders word ik van de bank af gebonjourd. Mensen stappen op mijn schoenen. Het maakt me niet meer uit. Ik moet rustig blijven. De warmte vraagt om rust. Eindelijk, de lichten springen aan. De ventilator aan het plafond, omgeven door spinnenwebben, stof en muggen begint te draaien. De trein komt piepend en krakend in beweging. We gaan.

Alle prikkels komen op mij af. Ik doe mijn ogen dicht. Mijn vingers glijden over de rug van Niels. Vochtig, zweet. Ik hoor het geluid van de nauwelijks werkende ventilator. Mensen hoor ik een vreemde taal praten. Ik hoor gelach. Gehoest. Stemmen die schreeuwen. Nootjes die worden fijn gemalen tussen de kiezen. De wind die langs raast. Krekels tjirpen. Het indringende gekraai van voorbij vliegende vogels. Het schuren van de trein op de rails. Soms passeert een andere trein de onze. Dat geluid is hard en opent mijn ogen.

Soms veren we omhoog. Mijn nek kan ik zo goed als niet bewegen. De geur van zweet, pinda’s en rook doordringen mijn neus. Wij zijn inmiddels 4 uur onderweg. Wat een geluk dat ik op het station nog een plekje had gevonden waar ik heb kunnen plassen, lees: “Een put in de grond, zonder deur, zonder wc-papier, bedolven onder de krioelende mieren en spinnen.”

Mannen zingen en klappen in hun handen. Ik moet lachen. Een lach krijg ik terug. Soms met een vol gebit, vaak met halve of geen tanden. Mijn lippen zijn droog. Ik verlang naar water. Een mevrouw geeft me een snoepzakje met daarin een soort van blok van kaneel en suiker. De volgende geeft ons een stukje ananas, gemarineerd met chilipepers. Ik probeer mij te beheersen en mijn vochtige ogen te reguleren. Het lukt niet. Na vele lachende oogcontacten krijgen we van een man wat deeg met daarin een kerrie aardappel mengsel (vegetable roti). Lachen doet het empathisch vermogen exploderen. Als afsluiter krijgen we een koek dat eruit ziet als olifantenhuid, smakend naar tabak, anijs en stroopwafel tegelijkertijd, gebonden in een bananenblad.

Eindelijk, we zijn er. Met het vliegen erbij, al langer dan 24 uur aan het reizen. Ik klaag niet. Ik heb hier voor gekozen. En ik vind het fantastisch! Ik kijk Niels aan en zeg: “Hoelaat moet jij morgen ochtend vroeg werken?” We lachen. Onze eerste dag van onze wereldreis is begonnen.

Hallo avontuur. Hallo vrijheid. Hallo Sri Lanka.